André Rieu, wat een vakman!

Keynote ter gelegenheid van de bijeenkomst Meer muziek in Hardenberg/pilot Klasse(n)orkest in theater de Voorvechter op 17 januari 2024 met daarin eerst het idee dat iedereen talentvol is. Vervolgens iets over het belang van muziek in onze levens en het onderwijs. Tenslotte enige woorden over wat het van ons vraagt wanneer we met die uitgangspunten het muziekonderwijs inrichten.

Door Imre Kruis

Download hier de printervriendelijke pdf.

Mijn opa Evert Evers bracht zijn werkzame leven door in de bouw. In zijn vrije tijd speelde hij de grote trom bij Soli Deo Gloria in Apeldoorn. Het was ver voordat ik er was. Ik heb alleen een korrelige zwart-wit foto van hem, marcherend over straat met een grote trommel voor zijn buik. Via zijn dochter, mijn moeder, erfde ik van hem zijn talent om dingen te maken. Mijn opa bouwde huizen van steen, ik van lego. Ik erfde verder zijn droge humor en bovenal zijn liefde voor muziek. Het gevoel voor ritme zat bij onze familie blijkbaar in de genen. Het kon eigenlijk niet anders of ik zou muziek gaan maken. Na de muziekschool ging ik naar het conservatorium en ik werd drummer van beroep. Ik had aanleg voor muziek, met dank aan opa.

En nu zal ik je vertellen waarom het bovenstaande onzin is. Ja, ik had een opa die de grote trom speelde en ik ben drummer geworden. Maar daar houdt de waarheid op want laten we die factor aanleg nou niet overdrijven. Het ligt voor de hand om iemands muzikale prestaties te verklaren met een blik op het verleden en het dan talent of aanleg te noemen. Je noemt dat een retrospectieve visie op talent[1], zo leerde ik onlangs. Die opvatting van talent is lekker makkelijk want wanneer je terugkijkt heb je altijd gelijk. Er zal vast een foto van Jaap van Zweden zijn als peuter met een instrument in zijn handen. “Zie je wel!” zeggen we dan. “Het zat er al jong in!” Maar er moet ook ergens een foto zijn van de jonge Jaap van Zweden zijn die een van zijn ouders helpt in de keuken en toch werd hij geen topkok. In weer een heel ander fotoalbum staat een jonge Jonnie Boer met een viool in zijn hand.

De rol die de factor aanleg speelt wordt vaak overschat. De reden dat ik drummer ben geworden heeft heel weinig met aanleg of genen te maken. Hoe werkte het voor mij dat dan wel? Volgens mij was ik op jonge leeftijd nieuwsgierig naar muziek, eigenlijk zoals alle jonge mensen nieuwsgierig zijn naar de wereld om hen heen. Die nieuwsgierigheid werd opgemerkt door mijn ouders die samen met mij eens gingen kijken op de muziekschool. Na afloop van een les ‘pret voor zes’ (dat was een soort AMV) vertelde ik met grote ogen aan mijn moeder dat ik de viool vast had mogen houden. De week erna kwam er een enthousiaste slagwerkdocent langs in de les en de rest is geschiedenis. Wat ook hielp: op mijn basisschool had je meester Henk met een zijn gitaar en juf Willemien leidde elk jaar een Kerstorkest. Ik ging samenspelen in bandjes. Mijn vader hielp me thuis met oefenen op mijn instrument en we bezochten zo nu en dan concerten. Of er in de negentiger jaren in Lelystad nu sprake was van muzikale aanleg of niet, mijn omgeving speelde een doorslaggevende rol. Dankzij mijn ouders en de docenten die ik tegenkwam groeide mijn nieuwsgierigheid naar muziek uit tot interesse. Die interesse werd een passie en uiteindelijk zelfs een obsessie voor alles wat met trommels te maken had.

Wat als het inderdaad zo werkt?

Wat als het inderdaad zo werkt? Dat betekent nogal wat! De zoon van Arjen Robben zou zomaar een briljant gitarist kunnen worden omdat hij bij een meester Henk in de klas zit. De dochter van Max Verstappen gaat gitaar spelen omdat Opa Jos haar nieuwsgierigheid naar muziek op het juiste moment weet te voeden. Het kind van Jaap van Zweden wint Heel Holland Bakt Kids en wordt patissier.

Als het inderdaad zo werkt? Dan hoef je nooit meer te zeggen dat je niet aan muziek doet omdat je geen talent hebt. Wat je hoogstens zou kunnen zeggen is dat jouw nieuwsgierigheid niet de kans heeft gehad om te groeien. Gewoon omdat die niet ‘aangezet’ werd. Thuis of op school. Door iemand die je tegenkwam. Door een trommel die je op zolder vond of omdat je langs Heel Holland bakt zapte. Ik zeg niet dat die nieuwsgierigheid genoeg is. Maar het is wel een belangrijk begin. Bij mij op het werk noemen we het zelfs een ‘motor van leren’.

En het betekent nog iets: als je niet door aanleg als vanzelf muziek gaat maken, dan is dus de omgeving zoals we die inrichten voor onze kinderen van heel grote invloed. Een kind dat in die omgeving nooit iemand met een hobo tegenkomt, komt niet snel op het idee om hobo te gaan spelen. Een kind dat nooit gezongen heeft weet niet hoe dat voelt, zingen uit volle borst. Als we er niet voor zorgen dat een kind zo nu en dan in aanraking komt met muziek, dan kan nieuwsgierigheid moeilijk uitgroeien tot interesse, laat staan tot passie of obsessie. Vinden we muziek belangrijk, dan moeten we daar iets mee in de inrichting van onze omgeving

Het waarom van muziek

Want we vinden muziek belangrijk toch? Daar ga ik maar even vanuit. Zal ik je vertellen waarom ik muziek belangrijk vind? Iedereen geeft namelijk een ander antwoord op die vraag. Ik maak zelf muziek omdat ik er gezond van word. Ik geniet ervan om de neurologische banen tussen mijn beiden hersenhelften te ontwikkelen!

Grapje.

Als ik gezond wil doen maak ik een wandeling of eet ik een appel. Dat muziek gezond is, mag iemand anders vertellen. Voor mij werkt het anders. Ik ken een bassist. Toevallig heet hij Evert, net als mijn opa. Hij vertelt een inspirerend verhaal over drie rollen die muziek speelt in mensenlevens: bevestigen, verbinden en reguleren. Een tijdje geleden vertelde hij er dit over:

Muziek stelt mensen in staat om te laten zien wie ze zijn, muzikaal gezien. Wij noemen dat: de bevestigende functie van muziek. Je ontwikkelt een muzikale identiteit met muziek die je nu eenmaal mooi blijkt te vinden, die je om onverklaarbare redenen raakt. 

Maar muziek stelt mensen ook in staat om zich te verbinden aan de wereld. Aan andere mensen. Bijvoorbeeld door samen muziek te maken, in je band of je shantykoor. Aan bepaalde plekken. Bijvoorbeeld aan de plek waar je woont, door Gurbe Douwstra of Ede Staal te beluisteren. Aan vroeger, aan later, of aan nu. Aan je diepste zelf, aan God of aan de Schoonheid. Enzovoorts. Muziek geeft je een plek in de wereld.

Al dat bevestigen en verbinden biedt je ten slotte de mogelijkheid om je leven ‘in te regelen’. Je gebruikt muziek om vrolijk te worden of om in slaap te vallen. Om je verdriet of je agressie te uiten. En je gebruikt muziek om anderen te beïnvloeden. Om ze in slaap te laten vallen of om ze boos te maken. 

Bevestigen, verbinden en reguleren. Dat is wat muziek voor mensen doet. En opvallend: dat gebeurt ook altijd als het spannend wordt. Het leven wordt spannend als we te maken krijgen met grenzen. De grens tussen leven en niet-leven – dus bij geboorte en dood. De grens tussen jeugd en volwassenheid. De grens tussen het ene en het andere jaar. De grens tussen het aardse en het bovenaardse. De grens tussen ‘wij’ en ‘zij’.

En zodra die grenzen in zicht komen, hebben we muziek nodig. Kunnen we ons een kerk zonder muziek voorstellen? Een verjaardag zonder ‘lang zal ze leven’? Een begrafenis zonder De Monuta Top-3: Andre Rieu, Frans Bauer en Jannes? Kunnen we ons een huwelijk voorstellen zonder eerste dans? Een sportwedstrijd zonder supportersgezang?[2]

Wat vraagt dat van ons?

We nu weten dat iedereen zich talentvol kan gedragen en iedereen heeft dus een relatie met muziek. Of je nu een instrument bespeelt of niet. Of je jezelf nu muzikaal noemt of niet. Echt iedereen. Ik, mijn opa, maar ook Arjen Robben en ook Halbe Zijlstra. Wanneer muziek zo’n grote rol speelt in ons leven, verdient het automatisch ook een plek in de omgeving waarin kinderen opgroeien. Ik vind het mooi wanneer we elk kind de kans geven om uit te vinden wat de eigen muzikale identiteit is. Wanneer we elk kind de speciale kracht van muziek laten ervaren. En wanneer we kansen kunnen organiseren voor jonge mensen om uit te vinden of het bespelen van een instrument iets voor hem/haar/hen is. Het zou daarnaast prettig zijn wanneer we de boel zo kunnen inrichten dat het niet noodzakelijk is om voor dat laatste een nier af moeten te staan, dus dat het voor iedereen financieel bereikbaar. Het zou eigenlijk mooi zijn wanneer we daarvoor een ecosysteem weten in te richten. Gelukkig is dat precies wat u met Meer muziek in Hardenberg beoogt en dat vind ik hoopvol. Maar wat vraagt zo’n ecosysteem van ons? Van het onderwijs? Van de muziekprofessionals? Van de overheid?

De overheid

Laten we eerst naar de overheid kijken, dat is tenslotte mijn natuurlijke reflex als muzikant. Je hoeft de krant maar open te slaan en je leest dat er in Nederland geen muziekscholen meer zijn. Ze vallen een voor een om. Het komt allemaal door het neoliberalisme. En het komt door Halbe Zijlstra. ’t Is een aflopende zaak. Nog even en er wordt helemaal geen muziek meer gemaakt in Nederland.

En nu ga ik je vertellen waarom het bovenstaande onzin is. Het aantal mensen dat aan actieve muziekbeoefening doet is al jaren stabiel volgens het LKCA. Het aantal muziekscholen heb ik vorig jaar uitgezocht[3], gewoon door te googelen. In 122 gemeenten in de noordoostelijke helft van Nederland vond ik 175 muziekscholen en dat is nog exclusief de privé aanbieders. 44% van de gemeenten doet aan ondersteuning van naschools muziekonderwijs. 12% faciliteert en 44% doet niets.

Wat moeten we met die cijfers? Laten we in elk geval stoppen woorden als kaalslag of teloorgang in de mond te nemen want die helpen ons niet vooruit. Er zijn nog steeds veel gemeenten die muziekonderwijs de moeite waard vinden om ondersteunen. Dat kan via een kunstencentrum maar er zijn ook in andere vormen van gemeentelijke ondersteuning die ik vorig jaar tegen kwam

Tegelijkertijd is er hier en daar wel degelijk veel werk aan de winkel wanneer het gaat om het overbruggen van de spagaat tussen toegankelijk muziekonderwijs en fair pay. Het is op het moment zo dat je in de ene gemeente een uur muziekles hebt voor 24 euro terwijl diezelfde les in een gemeente die niet ondersteunt 54 euro kost en daar vind ik wel wat van.

Laten we niet nalaten om het gesprek daarover te voeren met wethouders, beleidsambtenaren en raadsleden. Welke elementen die onze leefomgeving verdienen af en toe wat ondersteuning? Jeugdzorg, de bieb, straten en openbaar groen. Daar zijn we het wel over eens. Maar hoort muziek daar niet ook bij? We vonden het belangrijk toch? Misschien helpt het om in die gesprekken te beginnen bij de vraag naar de eigen relatie met muziek van degene die je voor je hebt. Want die relatie, die heeft dus iedereen.

Onderwijs

En dan het basisonderwijs. Je zal daar maar werken. Het is er altijd vijf voor twaalf. Er moet meer aandacht komen voor basisvaardigheden in het onderwijs. Berichten van Pisa zijn alarmerend. De onderwijsraad wil meer aandacht voor taal- en rekenonderwijs. Er moet meer werk gemaakt worden van burgerschapsvaardigheden in de klas. En laten we de verkeersvaardigheid niet vergeten zegt Veilig Verkeer Nederland. Dan graag ook nog aandacht voor seksuele en genderdiversiteit en niet alleen op Paarse vrijdag. Tel daar de wat vrijblijvend geformuleerde SLO-doelen voor cultuureducatie bij op en je begrijpt waarom muziek op school wel eens ondersneeuwt.

Ik heb groot respect voor de groepsleerkrachten die in dit speelveld elke dag keuzes moeten maken over wat nu beste is voor de kinderen en waag me liever niet aan advies. Vooruit, toch een paar nieuwsgierige vragen dan. Zou het niet mogelijk zijn om in de klas meer slimme combi’s te maken. Kun je muziek misschien ook inzetten om beter te leren rekenen? Wat leer je allemaal wanneer je een spreekbeurt houdt over je favoriete artiest? En muziekles hoeft niet altijd op een instrument hè!? Vijf minuten zingen met het digibord is ook muziek. Je hebt altijd wel vijf minuten over. Misschien wel elke dag! Dat is een mooi begin toch? Goed doen begint soms met gewoon doen. Je kunt muziekles als groepsleerkracht af en toe uitbesteden. Af en toe ook juist niet. Dan doe je het gewoon zelf. Want, iedereen is muzikaal, weet je nog?

Dat laatste is voor groepsleerkrachten in de praktijk wel eens lastig. Ik zie veel onzekerheid over de eigen muzikale docentvaardigheden voor de klas. Beste meesters en juffen, dat is niet jullie schuld. Dat komt door ons, de muzikanten. En ook een beetje door Matthijs trouwens. Ik zal je een voorbeeldje geven. Harpiste Lavinia Meijer werd als volgt aangekondigd in De Wereld Draait Door[4]: “Ze is pas 24 jaar maar maakt volgend jaar haar debuut in de Carnegie Hall in New York. Hoger is er eigenlijk voor een klassiek musicus niet. Ze won ook al vele prijzen en concoursen en heeft een missie om van haar instrument, de harp, van het tuttige imago af te helpen.” Lavinia Meijer kan daar zelf waarschijnlijk niet zo veel aan doen. Maar ik hoor hier eigenlijk de boodschap: Muziek is iets heel, maar dan ook heel erg moeilijks. Iets waarvoor je wel over buitenaards talent moet beschikken. Carnegie Hall is het doel en anders telt het niet.

Ik snap het wel. Topviolist en dirigent Jaap van Zweden stond afgelopen zaterdag wél in de krant omdat het razendknap en ook wel inspirerend is wat hij heeft bereikt, maar over mijn buurvrouw van nummer 194 las ik niets. Terwijl, mijn buurvrouw speelt ook viool! Ik snap best hoe het werk, maar ik vind het bijeffect zo vervelend. Door de focus op excellentie als het over muziek gaat, blijven we mensen het idee geven dat je muzikaal alleen meetelt als je op hoog niveau een instrument bespeelt. Waar en wanneer is dat toch misgegaan?

Zou het helpen wanneer we muziek iets meer zien als voetbal?[5] Mijn buurjongen van nummer 200 voetbalt bijvoorbeeld bij een club uit de buurt. Hij gaat daar meerdere keren per week heen. Hij leert er van alles over voetbal en over zichzelf. Nooit is hem de vraag gesteld of hij wel talent heeft. Misschien zal er eens een teamgenootje gescout worden voor een profclub en dat is dan mooi. Maar mijn buurjongen zal blijven voetballen.

De muziekdocenten

Wat vraagt zo’n ecosysteem van de muziekdocenten? Dat is niet zo ingewikkeld. Gewoon hartstochtelijk doceren over muziek en jouw instrument, daarbij natuurlijk wel even gebruik makend van de muziekpedagogische inzichten van de afgelopen jaren. En ik moet toegeven, ik vind dat als muziekdocent zelf nog wel eens lastig. Ik ben namelijk al 15 jaar boos op Halbe Zijlstra. Omdat ik zo druk ben met boos zijn vergeet ik nogal eens die inzichten consequent toe te passen in mijn praktijk. Ik vergeet wel eens dat de wereld waar ik me toe te verhouden heb in de afgelopen 15 jaar ook is veranderd. Dat vraagt af en toe om een andere houding van mij als docent en dat vergeet ik wel eens. Terwijl, ik weet natuurlijk best hoe het moet.

Ik weet dat leerlingen meer leren van hun medeleerlingen dan van hun docenten. Ik vind dat een fijn argument voor groepslessen. Die individuele muziekles is soms nodig of onvermijdelijk. Maar werken met een groepje leerlingen biedt zoveel leuke pedagogische en muzikale voordelen.[6]

Ik weet ook dat wanneer je intrinsieke motivatie wilt voeden, wanneer je betrokkenheid wilt in de les. Dat je er dan voor moet zorgen dat de leerling zich competent voelt. Dat hij een gevoel heeft van autonomie, dus zelf iets mogen zeggen over het resultaat of hoe daar te komen. En dat je moet zorgen dat de leerling zich gezien en gehoord voelt.

Ik weet dat iedere leerling is talentvol is, of talentvol gedrag kan vertonen, mits ik daar de juiste voorwaarden voor weet te scheppen. Voorwaarden scheppen is sowieso mijn corebusiness. De leerling besluit namelijk of er iets geleerd wordt, niet ik als docent. Gras groeit niet wanneer je eraan trekt.

En hoe knap het ook is dat ik zelf conservatorium heb gedaan. Die leerling die voor me staat, die hoeft dat niet hè. Mijn les gaat dus niet alleen over het ambacht maar ook over bevestigen, verbinden en reguleren.

En ik weet dat het alleen werkt wanneer ik elke relatie die een leerling al heeft met muziek serieus neem. Dat ik me ook moet afvragen wat een leerling komt brengen in de les. Dat ik zijn relatie met muziek misschien als vertrekpunt moet nemen voor wat we samen gaan doen.

Dat ik niet alleen moet vertellen hoe het moet. Dat ik ook moet vragen hoe het zou kunnen. Dat ik niet moet evangeliseren maar inspireren.

En dat ik dat allemaal niet voor 25 euro per uur moet doen.

Conclusie

Rekening houdend met dit alles moeten overheid, muzikanten en het onderwijs het met elkaar uit zien te vinden. Fijn dat daarom alle betrokkenen daarvoor hier bij elkaar zijn. Vanuit het conservatorium voel ik me ook betrokken bij het muziekonderwijs in de gemeente Hardenberg. Ik wens jullie succes op de reis die jullie met elkaar gaan maken bij het vormgeven van het muziekonderwijs van 2024 en ik zal de reis van de afgelopen 20 minuten nog even samenvatten:

  1. Zeg nooit dat je geen talent hebt. Iedereen is talentvol mits talentvol benaderd.
  2. Daarom is de omgeving zoals we die inrichten van groot belang.
  3. Muziek speelt een belangrijke verbindende, bevestigende en regulerende rol in onze levens en verdient daarom ook een plek in ons onderwijs.
  4. Wanneer we het muziekonderwijs inrichten, erken dan dat iedereen leerling al een relatie met muziek heeft en begin daarbij.

Nog even terug naar mijn Opa. Wanneer we de laatste jaren van zijn leven bij hem op de thee kwamen, werd er vooral veel gemopperd op de snel veranderende wereld. Een van de schaarse momenten die bij opa Evers zorgden voor glimmende ogen waren als André Rieu ter sprake kwam. “André Rieu, wat een vakman is dat!” zei hij dan. Had ik al gezegd dat hij in de bouw werkte? Hij sprak over musici in termen van vaklui. Grappig. Voor mij werkt dat iets anders. Muziek kan me ontroeren, me oppeppen en het brengt me in contact met iets wat ik met woorden niet kan uitdrukken. De brengers van die muziek noem ik eerder kunstenaars dan vaklui. Leuk toch, die verschillen? Het gesprek daarover kun je eindeloos voeren. Laten we bij het vormgeven van dat muziekonderwijs in 2024 alsjeblieft beginnen met precies dat gesprek. Wat betekent muziek voor jou?

En weet je wat zo leuk is? Alle antwoorden op die vraag zijn goed.

Evert Evers in actie bij Soli Deo Gloria in Apeldoorn

[1] Dit heb ik niet zelf bedacht. Het ligt aan de basis van Curious Minds. Zie: https://www.hanze.nl/nl/onderzoeken/centers/centre-of-expertise-healthy-ageing/verhalen/curious-minds-een-positieve-benadering-van-talent

[2] Dit komt uit een opiniebijdrage die we samen schreven in het Dagblad van het Noorden. Zie: https://research.hanze.nl/en/publications/muziekeducatie-is-een-ecosysteem-dat-het-verdient-onderhouden-te-

[3] Het hele rapport ‘veranderende vormen’ met daarin een schets van het muziekeducatieve landschap in Noord en Oost Nederland lees je hier: https://research.hanze.nl/en/publications/veranderende-vormen-inventarisatie-instrumentaalvocaal-muziekonde

[4] DWDD fragment: https://youtu.be/K2jQWGky2y4?si=E7YYc28E8qTB_TOA

[5] Dit idee leende ik van Wouter Hakhoff, trompettist en dirigent van het Leerorkest in Amsterdam.

[6] Dat is toch wat. Floris Kortie (die ik verder hoog heb zitten hoor, gezien al het mooie werk dat hij doet voor de Klassieke Muziek) beweert hier op NPO radio 1 anno 2024 dat “de groepsles niet motiveert”.

https://www.nporadio1.nl/nieuws/binnenland/571b4e7d-62a6-490f-b26d-86800a0ea6fe/muziekles-is-weer-elitair-geworden

Geef een reactie